Begrippenlijst
Korte uitleg van de begrippen die in de rekentools terugkomen.
Bruto en netto
Bruto is je loon vóór belasting en premies. Netto is wat daarvan overblijft na loonheffing. Pensioenpremie gaat er op je loonstrook vaak nog eens af.
Box 1
Het inkomen uit werk en woning. Daarover betaal je de schijventarieven en krijg je heffingskortingen. Zie belastingtarieven.
Heffingskorting
Een korting op de belasting, geen korting op je loon. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn de twee die we in de salaristool gebruiken.
Loonheffing
De belasting en premies volksverzekeringen die je werkgever inhoudt. Aan het eind van het jaar wordt dat verrekend in je aangifte.
Vakantiegeld
Minstens 8% van je brutoloon, meestal uitbetaald in mei of juni. Het is een bijzondere beloning en wordt zwaarder belast dan een gewone maand.
Bijtelling
Een bedrag dat bij je loon komt als je een auto van de zaak ook privé gebruikt. Je betaalt belasting over dat bedrag, niet het bedrag zelf.
Transitievergoeding
De vergoeding bij ontslag: een derde maandsalaris per dienstjaar, met een wettelijk maximum.
Woonquote
Het deel van je bruto inkomen dat volgens de leennormen naar wonen mag. Hoe hoger je inkomen, hoe hoger dat percentage ongeveer ligt.
Toetsingsinkomen
Het inkomen waarmee Dienst Toeslagen rekent. Het lijkt op je verzamelinkomen van het toeslagjaar.
Cataloguswaarde
De nieuwprijs van een auto inclusief btw en bpm. De bijtelling is een percentage daarvan.
Box 3
Het inkomen uit sparen en beleggen. Boven het heffingsvrije vermogen kan daar belasting over verschuldigd zijn.